Verslag van de Feeder trainingsavond
Ringvaart 20 juli 2004

Verslag van de Feedertrainingsavond aan de Ringvaart 20 juli 2004 


Een avondje Feeder instructie was het motto. Onder de kundige leiding van Peter Koopman van Koopman Hengelsport Bennebroek (oud winnaar van de KoC in Ierland). De opzet was dat een ieder in zijn volledige uitrusting zou gaan vissen waarbij Peter aanwijzingen zou geven over de zithouding, de beetregistratie, de hengelopbouw en configuratie. Uiteraard ook ruim de tijd nemend voor vragen van de betrokkenen. Deze opzet kwam helaas niet helemaal tot uiting omdat een aantal enthousiaste leden slechts hun hengel hadden meegenomen. Gelukkig had een aantal andere leden wel voldoende voer en aas bij zich zodat de meeste toch al vissend de nodige aanwijzingen konden ontvangen.

De eerste vragen richting Peter gingen vooral over het vissen met Dyneema (gevlochten lijn) en het al of niet gebruiken van een voorslag. Sommige gaan er vanuit dat een Powergum montage voldoende rek bied om een voorslag overbodig te maken. Peter zelf vist altijd met Dyneema en gebruikt hierbij een voorslag van ongeveer 2-3 keer de hengellengte van een 25/00 nylonlijn. Ook hiervoor konden we een aantal leden de helpende hand bieden omdat ook hiervan een reserve rol voorradig was. Het merk Gorilla is hierbij verreweg de bekendste en meest gebruikte. De manier van verbinden van de meestal 6/00 Dyneema lijn aan de 25/00 nylon voorslag blijkt in de praktijk veel minder moeilijk dan vooraf gedacht. De snelste methode is nog altijd een lus met een achtknoop leggen in de nylon voorlag en deze lus gebruiken voor de aanleg van een standaard bledknoop met de Dyneema lijn die we kennen van het haak (zonder oog) aanzetten. Een tweede methode waarbij ook de achtknoop centraal staat is mij echter even ontgaan. Ik heb uiteraard niet overal met mijn neus bovenop gestaan. Men kan natuurlijk ook gebruik maken van de al eeuwenoude Bloedknoop. Belangrijk voor het vissen met de Dyneema gevlochten lijn is dat daar een soepele Feederhengel voor gebruikt wordt met grote Sic-ogen. De zojuist gelegde knoop moet immers gemakkelijk (zonder weerstand) door de geleide ogen heen kunnen lopen. Omdat het Dyneema een nogal schurende werking ( en bij het snel binnenhalen heelveel wrijvingswarmte) kan oproepen) hebben we zeer slijtvaste harde geleide ogen nodig. Ook de aanzet van de korf en onderlijn kan op vele manieren plaatsvinden. Hierbij is het van belang dat er zo min mogelijk obstakels gebruikt moeten worden die de kans het in de war raken of oppikken van zweefvuil uit het water alleen maar groter maken. Voor een water als de Ringvaart volstaat een simpele zijlus verbinding waaraan d.m.v. een wartel de korf wordt gehangen. De resterende hoofdlijn met in lengte net even langer zijn dan de zijlus plus korf waarbij daar in het uiteinde een zo klein mogelijk lusje gelegd wordt. Hoe kleiner deze lus hoe minder last van het hinderlijke draaien van de onderlijn constructie. Uiteraard speelt het aanzetten van het aas aan de haak hierbij ook een belangrijke rol. Als onderlijn wordt aanbevolen om te starten met 12/00 en een haak nummer 14. Mocht de vis het erg goed doen kan er door gebouwd worden naar 14/00 en haak nummer 12 of soms zelfs 10. Is de vis maar moeilijk tot een aanbeet te verleiden kan men terug naar 10 of zelfs 8/00 en haak nummer 16 of 18.
De worp. Allereerst moet het water gelezen worden om te bepalen op welke afstand er gevist moet gaan worden. Springende vis en aasbellen zijn hierbij de belangrijkste graad meters. Enige kennis van het betreffende water kan daarbij uiteraard ook van grote dienst zijn. Zo wist ik bijvoorbeeld niet dat het stuk Ringvaart waar wij nu stonden, een aantal jaren geleden van een nieuwe kantenbedekking was voorzien. Hierbij is veel grof gaas gebruikt om te voorkomen dat de aangebrachte stenenlaag zou gaan rollen. Deze laag loopt wel door tot zo een 4-5 meter uit de overzijde, een afstand dus die je moet mijden. De beste keus voor dit water is vaak juist de vaste stok, dus een afstand van 10-12 meter uit de eigen, maar met de Feeder bij voorkeur uit de overzijde, is hier een goede keus. De spaarzaam aanwezige brasem hield zich dan ook vooral in deze zones op. Persoonlijk nog even gecheckt met de Smartcast Fishfinder. Later in deze sessie liet de Brasem zich op deze afstand dan ook veelvuldig springend zien, maar helaas niet vangen. Bij het uitoefenen van de worp is het belangrijk om van voor naar achter en de worp terug een vloeiende beweging te maken. Hierbij een vast richtpunt in gedachte nemend. Bij zo een worp wordt de natuurlijke kracht in de hengel ten volle benut en komt het niet aan op kracht maar op souplesse om een mooie strakke worp te maken. Bij het moment van het te water raken van de korf tot het terug komen van de top is een maatstaf voor de diepte van het water. Bijgebruik van een lege 20 grams korf geldt dat iedere twee tellen ongeveer gelijk staat voor een meter water. Let wel, dit is slechts een indicatie. Belangrijk in deze is om het moment te bepalen waarbij de korf zich nog net boven de bodem bevind om deze alvorens het raken van de bodem nog net een ½ meter naar je toe kunt halen. Hiermee bewerkstellig je dat de onderlijn mooi strak t.o.v. de geplaatste korf komt te liggen. Doe je dit niet, dan riskeer je dat de beaasde haak boven op de korf terecht komt en de vis dus eerst de lengte van de onderlijn moet wegzwemmen met het aas in de bek, alvorens er überhaupt een eerste beetregistratie plaatsvindt. Verder moet men ook voorkomen dat men de gehele constructie nog ver door het water moet verplaatsen om de hengel in de hiervoor opgestelde steun legt. De gouden regel hierbij is dat we altijd met de punt met de stroming van het water meewijzen. Doet men dit tegengesteld, dan wordt het aanslaan van de vis een hele moeilijk zo niet bijna onmogelijke zaak. De door de stroming ontstane bocht moet eerst overbrugd worden alvorens de haak gezet kan worden. Het begrip aanslaan is bij een gebruik van Dyneema een erg groot woord. De hengel oppakken van de steun volstaat bij deze rekloze lijn al om de haak goed te zetten. Een slaande beweging maakt de kans op onderlijnbreuk of het juist weer uit de bek slaan van de haak onnodig groot.
Last but not least is het uiteraard van belang dat de hengel t.o.v. de eigen zithouding goed is afgesteund en binnen handbereik ligt om snel te kunnen reageren. Hierbij is het zaak e hengel ter hoogte van de molen te kunnen oppakken en dus niet aan het uiterste einde van de hengel. In het eerste geval heb je namelijk veel meer controle over de hengel dan in het laatste. De zwabberende beweging die in het laatste geval ontstaat, kan de oorzaak zijn van een misslag of breuk van de onderlijn omdat de bewegingen van de top van de hengel zo nooit gecontroleerd kunne worden.
Het aanmaken van het voer. Hierover zijn veel artikelen verschenen. De een zweert bij het aanmaken van het voer op de avond voorafgaande aan de wedstrijd. De handregel hierbij is dat het voer dan wel helemaal uitgewerkt is en dus geen kolom van stijgende boven de voerplek ontstaat waardoor de kleine vis niet in het bijzonder aangetrokken wordt en dus juist de Brasem hier tot aangetrokken wordt. Hetzelfde geldt voor allerlei geur en smaakversterkers die aan het voer kunnen worden toegevoegd. Deze zullen zorgen dat de vis snel naar de voerplek geloodst wordt, echter dan ook snel verzadigd raakt. Kan dus de aanpak voor korte wedstrijdjes zijn, maar voor de competitie of nog langere wedstrijden moet men hier zeer voorzichtig mee omgaan. Copra Melasse kan hierop soms weer een uitkomst bieden omdat dit werkt als een laxeermiddel voor de vissen en je ze daarmee aan het azen kan houden. Let wel, dit zijn allemaal algemeen bekende veronderstellingen. Veel belangrijker dan de extreme geur of werking van het voer is het vertrouwd zijn met je voer. De hoeveel water gebruikt om te bevochtigen is van veel groter belang dan al het voorgaande. Probeer dus ook altijd uit te gaan van dezelfde samenstelling van het voer. In dat geval weet je precies hoeveel water je moet toevoegen en hoe het vore zich gedraagt wanner de korf met voer het wateroppervlak raakt. Hierbij mag het voer niet uit de korf spetteren, maar moet het ook niet zo zijn dat het voer zo vast in de korf zit, dat deze bij het binnenhalen nog steeds in de korf zit. Het mooiste is wanneer het voer bij het bereiken van de bodem met een korte tik uit de korf geslagen kan worden. Bedenk hierbij dat het voer beter in tweeën nat genaakt kan worden dan in een keer te verzuipen. Bij lange wedstrijden of hele warme dagen zal het voer behoorlijk indrogen en zich daarmee anders gaan gedragen dan vooraf aan de wedstrijd ingesteld. Pas echter op dat je bij het herbevochtigen van het voer, deze niet verzuipt. Wanneer het voer nu te nat gemaakt wordt is alle werking hieruit. Kleine vis zal niet geactiveerd worden maar de kans is wel groot de het voer voortijdig de korf verlaat. Hiermee creëer je dan een soort zweefspoor van voer door het water waarmee de vis meestal juist van de visplek weg geloodst wordt in plaats van aangetrokken. Onze competitie wedstrijden met na 2 uur vissen een kwartier pauze, lenen zich extreem goed om hierin opnieuw een hoeveel vers voer aan te maken, wanneer je hier bij aanvang van de wedstrijd zo succesvol mee was. Vraag maar eens na bij andere lotgenoten. De meeste zullen (kunnen) bevestigen dat ze altijd of juist de eerste of juist de tweede helft goed vangen. De eindeoverwinning gaat echter naar die visser die de gehele wedstrijd vis op de plek aan het azen weet te houden. Vang je de eerste helft altijd goed dan is je voer na twee uur mogelijk te droog geworden of heb je gebruik gemaakt van te veel zoetstoffen. Natuurlijk kan het altijd zo zijn dat de vis in de pauze, bij gebrek aan voer op de visplek, is doorgezwommen, en nu je buurman de een na de andere in zijn netje doet landen. Vang je de eerste helft niet zo veel, maar gaat het juist in de tweede helft lopen, dan kan het zijn dat je voer bij aanvang juist te nat is geweest of juist heel weinig geur en smaakstoffen of actieve (lees vettige) deeltjes bevat. Het eerste kan je eenvoudig verhelpen door met iets droger voer te starten. Het laatste draagt veel meer risico en zou ik persoonlijk niet doen. Omdat je de tweede helft wel altijd goed vangt, mankeert er dus eigenlijk niet veel aan de samenstelling van je voer. Zeven van het voer kan hier mogelijk de uitkomst bieden. Het gaat hierbij niet zo zeer om de klonten uit het voer te zeven, want die komen er vanzelf weer in wanneer het voer in de korf of tot ballen geknepen wordt. Bij het zeven gaat het er juist om dat het vocht zo gelijkmatig als mogelijk over het voer verdeeld wordt.
Al met al hoop ik voor iedereen een geslaagde avond en nogmaals dank aan Peter Koopman voor het overbrengen van zijn expertise op dit gebied.

Vriendelijke visgroeten, Peter Dekker

 
Webmaster:  Peter Dekker
Publisher : Peter Dekker
terug